Erik Akerboom wil meer zelfstandigheid voor de politieagent

Korpschef Erik Akerboom wil meer zelfstandigheid voor de politieagent

01 Jun 2016

Het interview komt op een goed moment. De politie is klaar om meer samenwerking met burgers en bedrijfsleven te zoeken. Als baas van Nederlands grootste werkgever staat Erik Akerboom voor de opdracht om de nieuwe organisatie als eenheid te laten functioneren. Hij pleit daarbij voor meer bevoegdheden om computers met informatie over criminelen te hacken, en omarmt the internet of things. ‘Vanuit de veiligheid geredeneerd hebben we liever meer dan minder data voorhanden.’

Van 26 versnipperde korpsen naar één politie. Dat was de opdracht in 2011. Iedereen die het nieuws heeft gevolgd en iemand kent bij de politie (met 65 duizend medewerkers zijn dat heel wat Nederlanders) weet dat de vernieuwing niet zonder slag of stoot verloopt, met personele onzekerheid, oude routines en verouderde, niet altijd even goed communicerende IT-systemen. En dat in een tijd waarin de maatschappelijke behoefte aan een sterke politie toeneemt. Voor 1 juni hebben twintigduizend mensen te horen gekregen wat hun nieuwe functie en standplaats is. ‘Ik wil daarbij eigenlijk af van het woord reorganisatie’, zegt de onlangs aangetreden korpschef Erik Akerboom. ‘Het woord heeft een moeizame connotatie. Er is echt nog veel te doen hoor, en we hebben nog heel wat bedenkingen van medewerkers die om een reactie vragen. Maar wij willen ook vooruit kijken, bouwen.’

Die culminerende kennis – big data – is cruciaal voor het moderne politiewerk

Eén van de stappen die Akerboom wil zetten, is mensen op lokaal niveau meer ruimte geven. De politie moet in zijn optiek geen top-down organisatie zijn. Nieuw in de organisatie zijn de basisteams op lokaal niveau, waarin meerdere politiedisciplines zijn vertegenwoordigd. ‘Ze krijgen meer handelingsruimte. Denk aan de politiechef die op maat capaciteit kan inzetten door – uiteraard binnen vooraf bepaalde kaders – voertuigen naar keuze te krijgen. In duingebieden zul je relatief meer terreinwagens nodig hebben, om een voorbeeld te noemen. Maar’, nuanceert Akerboom, ‘vooral heb ik het over de diender op de werkvloer. Op straat dus. De agent moet zelfstandiger en  innovatiever aan de slag kunnen, slagvaardiger. Momenteel voeren we een experiment uit waarin zeventien teams hun dagelijks werk vrijwel zelfstandig uitvoeren. Maar in noodsituaties treedt direct de hiërarchische aansturing weer in werking. Als het erop aankomt, hebben we dus strak geleide eenheden, maar in het merendeel van het dagelijks werk is plaats voor veel eigen verantwoordelijkheid.’

De moderne politie is in deze context afhankelijk van actuele informatie uit vele bronnen. Moderne middelen moeten daarbij gaan helpen: ‘Denk aan een wijkagent die deelneemt in een groepsapp met zijn buurt, maar ook aan de snelheid waarmee hij of zij op een smartphone informatie kan achterhalen als het nodig is, op straat. ‘Wij hebben daarvoor een programma ontwikkeld, MEOS –Mobiel Effectief Op Straat. Politiemensen vinden dit in het algemeen een mooie app. Hoeven ze minder tijdrovende telefoontjes te plegen als de tijd dringt. Denk je eens in, een agent in Heerlen die snel kan nazoeken wat er over een verdacht persoon bekend is in Groningen.’ Op de vraag of de IT-systemen daar al klaar voor zijn, antwoordt de korpschef met een schets: ‘Het IT-systeem was een paar jaar geleden nogal gevarieerd om het eufemistisch uit te drukken. En onverbloemd gezegd: een lappendeken.

26 Korpsen hadden eigen oplossingen voor personeelsadministratie, financiën, informatievoorziening. Ook specifieke dienstonderdelen hadden hun eigen oplossing. Noodhulp en recherche bijvoorbeeld. Dat moet nu een samenhangend systeem worden en dat kost tijd. Wij zijn aardig op weg nu, en de transformatie verloopt zorgvuldig, volgens de strakke volgorde van stabiliseren, verbeteren en vernieuwen.’ Hij blikt vooruit: ‘Wij gaan de komende jaren toe naar een scheiding van dataopslag en operationele systemen. Zoals veel  moderne banken ook al werken eigenlijk. Als we dit klaarspelen, hebben we de mogelijkheid om die data optimaal te benutten en te beheren.’

De hamvraag

Die culminerende kennis – big data – is cruciaal voor het moderne politiewerk. ‘Ooit gaf ik leiding aan de recherche in Utrecht. De klassieke vraag die we toen stelden, luidde: “Who did it?” Onze energie lag daardoor bij de analyse en het oplossen van gedane zaken. De tijden zijn veranderd, daarmee vertel ik niets nieuws. De  terroristische dreiging heb ik in mijn tijd als Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid goed leren kennen. De kunst is om aanslagen en andere bedreigingen voor te zijn, en dus veel sterker dan vroeger vooruít te kijken. “Wie zou iets kunnen doen?”, dat is nu de hamvraag.’

Informatievergaring, -vastlegging en -analyse spelen daarbij een cruciale rol. ‘Je kunt tegenwoordig meer voorspellen. Dat geldt al voor kleinere verstoringen. Weersvoorspellingen, openingstijden van de horeca, seizoensinvloeden. Hierin kun je patronen ontdekken die kunnen helpen bij de bepaling van potentiele risico’s.’ De politie zal  daarbij steeds nauwer moeten samenwerken met burgers en bedrijfsleven, voorspelt Akerboom. ‘We hebben al miljoenen sensoren in onze maatschappij, en dat aantal blijft groeien. Denk aan  beveiligingscamera’s, maar ook aan andere sensoren in huishoudelijke apparatuur en auto’s  bijvoorbeeld, in deze tijd van the internet of things. Als we daar toegang toe krijgen, en we die gegevens goed kunnen interpreteren, kunnen we onze maatschappij veiliger maken. Zo simpel ligt het.’ Op de vraag of er wat hem betreft een grens is aan de mate waarin de politie gebruik mag maken van persoon-gerelateerde gegevens, antwoordt hij diplomatiek: ‘De beantwoording van die vraag laat ik over aan de politiek. Wij benaderen het vraagstuk vanuit de veiligheid en hebben liever meer dan minder relevante data voorhanden. Het is daarbij wel belangrijk dat er geen illusie ontstaat dat alles kan worden voorkomen.’ Akerboom gaat met zijn organisatie meer dan voorheen voeding aan de politieke besluitvorming leveren. ‘Het heeft weinig zin om achteraf te moeten vaststellen dat ze niet naar je geluisterd hebben, als je vooraf nooit je stem hebt verheft.’

Terugdringen van anonimiteit

Voor de korpschef staat voorop dat het helpt als de politie meer toegang krijgt tot data op internet en als de mogelijkheden verruimd worden om bijvoorbeeld computers te hacken met belangrijke informatie over criminele handelingen. Bovendien, voegt hij toe, ‘we kunnen ook meer bereiken als we aan de slag gaan met camerabeelden die we van burgers en het bedrijfsleven krijgen.’ Akerboom heeft zijn hoop gevestigd op de wet ComputerCriminaliteit III: ‘In de fysieke wereld is al sprake van een redelijke regulering als je het hebt over bevoegdheden en privacy. Op  internet is nog veel onduidelijk.’ Hij hoopt dat in de wet wordt ingezet op het terugdringen van de anonimiteit. ‘Criminaliteit en anonimiteit zijn goede vrienden. Dat geldt voor onze maatschappij, in bedrijven en bij mensen thuis, maar natuurlijk ook op internet. Zolang je daar anoniem je gang kunt gaan, kan het een schuilplaats voor criminelen zijn. Ik zie gelukkig dat hiertegen bezwaren ontstaan.

Sommige bedrijven werken al actief aan het terugdringen van uitwassen; Marktplaats spoort bijvoorbeeld al frauduleuze handelaren op. Wat mij betreft geeft de nieuwe wet de overheid meer bevoegdheden om zware criminaliteit tegen te gaan en daartoe hun systemen binnen te dringen.’ De wedloop om actuele en relevante informatie kan de politie nooit in z’n eentje winnen. ‘Wij moeten bijvoorbeeld werken met proven technology, dat spreekt voor zich. Dat geeft een zekere achterstand. Bovendien zijn wij altijd afhankelijk van vertragende wet- en regelgeving. Het zal ons dus altijd moeite blijven kosten om het razende tempo van de nieuwe technologie bij te houden.’ Akerboom zoekt de oplossing in nauwe samenwerking met de wetenschap en het bedrijfsleven. ‘Daarom werken we bijvoorbeeld intensief samen met het NIDV (Stichting Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid, red.), een brancheorganisatie van bedrijven die de schakel vormt tussen  kennisinstellingen, het bedrijfsleven en de overheid.’ Ook de banden met bestuurlijk Nederland wil hij aanhalen. ‘Burgemeesters en de officieren van justitie bepalen het beleid in de steden en dorpen. De afgelopen jaren klonk het bange vermoeden dat ze onvoldoende grip zouden krijgen op de politie door de vorming van de nationale politie. We zullen de banden op lokaal en regionaal niveau via de basisteams verder aanhalen. We willen meer met de beslissers om tafel.’

Onder een vergrootglas

Aan wie legt Akerboom als korpschef verantwoording af? ‘Ik ben natuurlijk aangesteld door de minister, laat daar geen onduidelijkheid over bestaan. Maar ik spreek natuurlijk ook met burgemeesters en hoofdofficieren. Onze organisatie ligt onder een vergrootglas en wij hebben de belangstelling van het publiek en de media. Denk maar aan social media waarop iedereen ons werk via filmpjes verspreidt en becommentarieert. Bovendien vormt het politiewerk zo’n dertig procent van het nieuws. Ik sta als aanvoerder van de club dus snel in het middelpunt van de aandacht, zeker als je het in relatie brengt tot belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen als de vluchtelingenproblematiek en het dreigende terrorisme. De dialoog met de maatschappij neem ik dan ook zeer serieus.’

Het nieuws en de politieke behoefte aan snelle antwoorden zorgen ervoor dat de nieuwe eerste hoofdcommissaris soms acuut de diepte in moet. ‘Juist als ik snel moet reageren en ingrijpende besluiten moet nemen, is het nodig om de details te kennen. Dus ja, soms wijkt alles voor een incident. Maar de beweging is wel richting meer bestuurlijke afstand. Naarmate de organisatie stabieler wordt en meer ruimte ontstaat voor de eenheden, districten en de basisteams, gebeurt dat ook. De politie is het pionieren voorbij, het wordt tijd om echt naar de toekomst te kijken en te gaan bouwen, ook op het terrein van beleid.’ En dan kijkt de korpschef ook gelijk vijf tot tien jaar verder. ‘De komende jaren zullen we duizenden nieuwe rechercheurs nodig hebben, om maar een voorbeeld te noemen.’ Er liggen hem dus al weer nieuwe grote uitdagingen te wachten.

BIOGRAFIE

Geboren

24 april 1961 in Lisse

 

Getrouwd met

Heleen Menger, drie kinderen

 

Opleiding

1979-1982

Rijksuniversiteit Groningen, faculteiten Economie/Bedrijfskunde

1982-1986

Nederlandse Politie Academie, Apeldoorn

 

1987-1990

Vrije Universiteit Amsterdam, doctoraal Politicologie

 

1998-2000

Leergang Politie Leiderschap Utrecht, Strategische Leergang Nederlandse Politie

 

Loopbaan

1986-1993

diverse functies bij Regiopolitie Utrecht

 

1997-1998

Hoofd Regionale Recherche Ondersteuning

 

1998-2003

Directeur Democratische Rechtsorde, Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD)

 

2003-2009

Korpschef regiopolitie Brabant-Noord

 

2009-2012

Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding & Veiligheid

 

2012-2016

Secretaris-generaal Ministerie van Defensie

 

Hobby’s

Zeilen, hockey en racefietsen

Door Fred Hermsen / beeld Jiri Büller
 

Deel dit bericht

Deze website maakt gebruik van cookies.

Door gebruik te blijven maken van de website gaat u akkoord met het gebruik van cookies.

KPMG gebruikt cookies voor o.a. de volgende doelen: beveiligen van de website; optimaliseren van de website en de dienstverlening door o.a. analyses websitegebruik en statistieken; integratie met sociale media waardoor bezoekers informatie op onze website kunnen delen via sociale media en e-mail.

Wilt u meer weten over deze cookies lees dan onze Online Privacy Statement

Akkoord